| Blauwblauw |
|
In ‘mijn tijd’ zag je in onze contreien nog veel blauw op straat. Te voet of per fiets, voornamelijk tussen acht en halfnegen ’s ochtends en tussen halfvier en vier in de namiddag. Geloof het of niet, maar dat uniforme blauw gaf de meeste jongedames toch wel een veilig gevoel: iedereen liep er even braaf (of, vanuit een ander oogpunt, even belachelijk) bij. Een en ander viel toen ook nog vrij makkelijk in de juiste plooi, met die geplisseerde rokjes. Al gebiedt de eerlijkheid mij ook aan te stippen dat de meest temperamentvolle exemplaren al eens wat kort van stof wilden zijn. In tegenstelling tot haar collega in het naburige stadje (die constant het meetlint in aanslag hield), erkende onze directrice wijselijk een onofficiële tolerantiezone tussen de reglementaire 5 cm – boven – de – knie en de onstuitbaar naar boven oprukkende minimode. Tot ieders tevredenheid. Alleen ’s winters rees er soms wat gemor op in de rangen. Dan zagen zelfs de beentjes blauw, want kniekousen scoren niet zo hoog als warmtebron. Nog vóór mei ’68 brak er een omwenteling los. Van november tot februari werden voortaan ook pantalons getolereerd. Let wel: alleen die van deftige komaf. Naast blauw doken voorzichtig andere kleuren op. Na een gewenningskuur van een paar jaar werd de zomerse sperperiode voor broeken opgeheven. En niet lang daarna viel het doek helemaal over de uniformiteit. ’t Is te zeggen, over de opgelegde uniformiteit. Amper een half decennium later werd onze speelplaats belegerd door een rebelse antideftigheidsbrigade in – o ironie – blauwe jeans en groene parka’s. Je kon er niet naast kijken: ook de meest overtuigde non-conformisten conformeren zich aan de ongeschreven wetten van de eigen groep. En dragen haar uniform.
Wij ruilden rond die tijd ons leerlingenbankje in voor een zitje aan de andere kant van de lessenaar, met prima zicht op het boeiende schouwspel dat de gedaantewisselingen bij de schooljeugd sindsdien bleven bieden. Nadat strakke broeken een tijdlang ieders bloedsomloop afknelden, rukten de gerafelde aardappelzakken vol verluchtingsgaten op, in het gezelschap van tenten van shirts. Later moest die grunge optornen tegen de bon chic met zijn merkenlabels. Waarna skaters, house en andere rages de broeken weer bij kruis en pijpen richting nonchalance trokken. Sliertige harengordijnen waarachter moeë gezichten zich verscholen, ruimden plaats voor uitdagende kale schedels, fluorescerende lokken of hanenkammen, die op hun beurt verdrongen werden door bestudeerd-warrige gelpiekjes. En daar komen de beatle-kopjes opnieuw om het hoekje kijken. Wat lager bij de grond defileerden vlaagsgewijs regimenten legerbottines, kuddes spitsgeneusde platzolen en hun tegenpolen de hoekige plateaus, vele ploegen van runners met of zonder verklikkerlichtje, bowlingsloffen en trekkingshoes.
Hoe de mode ook evolueerde, steeds bleef een deel van de leerlingenpopulatie zijn outlook inzetten als middel om tegen de voorschriften te schoppen. Aan de andere kant van het reglement boden de directies dapper weerwerk, met de nobelste pedagogische bedoelingen. Het afgelopen decennium riepen zij vaak oudercomités, participatie- en andere raden op om hun kamp te versterken. Maar het mocht weinig baten. Steeds weer moesten zij de grenzen verschuiven. Elk jaar hun reglement aanpassen. Hier een verbod versoepelen, daar een nieuw opgedoken ongehoordheid inlassen. Best grappig hoe de rebelse jongeren al hun creativiteit inzetten om het gezag steeds één stap voor te blijven. Jongens mogen dit jaar eindelijk ook een belletje in het lelletje? Eentje per oor? Dan opteren zij nu voor vier op een rij. De meisjes verschuiven hun metalen uitdagertjes naar verboden-te-piercen-terreinen als neus en wenkbrauw. Af en toe wordt het progressieve kamp vervoegd door een afvallige leerkracht. Een lerares die voor zichzelf beslist dat een hittegolf een nood is die de wet van het verplichte mouwtje breekt. Waarop de leerlingen haar pijlsnel richting spaghettibandje voorbijrennen.
Op de eerste lentedag van het jaar valt mijn oog op een 15-jarige schoonheid in een trendy bloesje van ingenieuze snit. Speels flirt het met de grens van de welvoeglijkheid maar bewaart toch een berekende afstand van ongeveer een centimeter. Geen sinecure om dit kledingstuk in een steekhoudend geformuleerd reglement te vangen, bedenk ik gniffelend. En och, hoe vertederend is zo’n textieltje als je het vergelijkt met de wapens die ontspoorde leerlingen elders gebruiken om aandacht op te eisen. Daar moet weer blauw ingezet worden aan de schoolpoort. Niet de plooirokjes van weleer. Politieblauw gewapend met een detector, voor zwaarder metaal dan illegale ringetjes.
Loes Loyens |
| 'Pedagoocheltoeren', Don Bosco Vlaanderen, mei-juni 2004 |