| Never say never |
|
“Koffietje?” vraagt hij als een volleerde gastheer. Ik strek mijn benen behaaglijk uit onder de keukentafel die hij snel en vakkundig heeft afgeruimd toen ik onverwacht kwam binnenvallen. Hij is apetrots op het loftje dat hij samen met zijn vriendin omgetoverd heeft tot een knusse eigen stek. En ik geniet in het kwadraat. Van het warme onthaal én van het stiekeme gevoel dat ik als opvoedster dan misschien toch geen complete miskleun ben. Is dit de zoon die mij jarenlang als absolute persona non grata uit zijn studentenkamer weerde omdat hij geen zin had in commentaar over het geen zin hebben in orde scheppen en schoonmaken? Mettertijd leerde ik aanvaarden dat ik – net als mijn ouders vóór mij – een hele waslijst van opvoedingsdoelstellingen nooit zou halen. En kijk, nu ik de heilige strijd heb afgeblazen …
“Heerlijke koffie”, zucht ik. “Eerlijke koffie”, glundert hij. Ja, als onovertroffen promotor van Wereldwinkels en bioboeren, zo ken ik hem al wel een poosje. Vreemd hoe welbepaalde waarden uit onze schaal zich als vanzelf en in versterkte mate in de zijne genesteld hebben. Af en toe strijkt het jonge tortelpaartje neer in de ouderlijke keuken om voor de hele familie een lekker dinertje klaar te stoven. Dagenlang ben ik dan in touw om alle nodige eerlijke ingrediënten bij mekaar te sprokkelen. Nooit gedacht dat trouw blijven aan je eigen, opgegroeide idealen zo vermoeiend kon zijn. Bepaalde huishoudapparaten kreunen al bij voorbaat als het weekend nadert. Onder de voltallige bezetting van het onverhoopt toch nog tot de netheid bekeerde kroost, draait de wasmachine dol en stoomt het strijkijzer zich de oververhitting nabij. Waar is de tijd dat ik als een dief het wasgoed uit de kamers (meestal onder de bedden vandaan) moest zien te roven? De nazaten zelf dienden met zacht geweld naar de badkuip gesleept te worden. Zelfs onze wildste wensdromen bleven toen ver beneden de huidige verkeersdrukte, mét weekendfiles, in de omgeving van badkamer en wasplaats.
‘Zeg nooit nooit’, mijmer ik. Een venijnig spotduiveltje steekt de kop op in mijn binnenste en verwijst pesterig naar het vele dat ik ooit nooit zou doen … Ik graai naar het eerste het beste voorwerp in mijn buurt dat ik naar zijn uitdagende kop kan gooien: de gsm die ik mezelf nooit zou aanschaffen, wegens overbodig. Hoe komt het dat ik die de laatste tijd zo angstvallig binnen handbereik houd? Nochtans erger ik me nog steeds aan de opdringerigheid waarmee zo’n ding iedereen tot permanente beschikbaarheid wil dwingen. “De gsm is een zinvolle en nuttige uitvinding. Je moet ze alleen op een verantwoorde manier weten te gebruiken, zonder overdrijving of misbruik!” sneer ik naar het duiveltje. “Ja, net zoals de tv, de auto en de computer”, kaatst hij terug. Ai, die zit. Ooit bleef mijn kijkgedrag om principiële redenen beperkt tot het waarlijk informatieve dat we uit een klein schermpje konden persen na helse toeren op het dak met een primitieve antenne. Nu suf ik soms als een ‘passieve massaconsument’ (dixit mijn vroegere ik) voor de buis als de nodige puf voor iets zinvollers me ontbreekt. Ooit was de auto een noodzakelijk kwaad bij langeafstandsverkeer dat niet met het openbaar vervoer kon. Nu haal ik hem soms van stal om een halve kilometer verderop een brood te halen … Ooit zou ik nooit een computerverslaafde worden. Nu stommel ik ’s morgens slaapdronken richting pc om mijn mail te checken nog voor de koffie doorgelopen is. ’s Avonds geef ik het beestje pas zijn welterusten-klik net voor ik zelf onder de wol glip. De grenzen tussen het nuttige, het aangename en het overbodige zie ik niet meer zo klaar. Ook niet met de leesbril op. Misschien moet ik nog eens bij mijn kinderen langslopen om de oude, hoogstaande idealen te laten herinstalleren in mijn systeem.
Loes Loyens |
| 'Pedagoocheltoeren', Don Bosco Vlaanderen maart-april 2006 |