| Videodinges |
|
Er is een videotheek gehuisvest in mijn hoofd. Kamerhoge kasten vol opgeslagen herinneringen die ik graag af en toe nog eens afspeel. De laatste jaren betrap ik mezelf er vaak op dat ik sta te dromen voor het rek met gedenkwaardige optredens van leerkrachten uit mijn humanioratijd. Dat zij stilaan bij bosjes tegelijk hun boekentas met pensioen sturen om plaats te ruimen voor de rugzak van de volgende generatie, zal daar niet vreemd aan zijn. Elke reünie met oud-klasgenoten, gepland of incidenteel, betekent een hoogdag voor het archief. Mijn favoriete banden pik ik er zó uit: er zit een viersterrenquotering uit de Humo op hun rug gekleefd. Op de bovenste plank schittert bijvoorbeeld De lachende detective. Deze steracteur tovert elke wiskundeles om in een spannende speurtocht naar de gezochte onbekenden, compleet met leep bijeensprokkelen van de nodige bewijzen. Zijn aanstekelijke klaterlach is legendarisch. Geen wonder dat hij in ettelijke collecties bij de bestsellers hoort. Smaken verschillen nochtans en quoteren blijft een delicaat subjectief gebeuren. Als je acteurs jaren na datum opnieuw tegen het lijf loopt, blijkt nogal eens dat hun verhaal intussen een verrassende wending heeft genomen. Dat risico is bijzonder groot in de afdeling films waarin je eigen oud-leerlingen figureren. Meestal resulteert een live confrontatie in een tien- of twintig-jaar-later-sequel. Af en toe dringt de noodzaak van een complete remake zich op. Het oude materiaal wordt ontmaskerd als te zwart-wit, te eenzijdig belicht of gewoon compleet waardeloos.Soms een beetje pijnlijk voor de cineast.
Een poosje geleden word ik op de schouder getikt door een jonge vrouw die mij vaag bekend voorkomt. “Ik heb ooit Nederlands van u gehad”, verwijst ze mij zonder omhaal naar de juiste kast in mijn beeldenarchief. Zij lacht een beetje verontschuldigend en dan heb ik het meteen: Gerda uit ‘mijn’ zesde anno 1983. Die flits in de blik en die nerveus trekkende mondhoeken ... Zij is stomverbaasd dat ik haar zo snel herken, “mij, de grijze muis uit een klas vol kleurrijke figuren”, zegt ze, met een flinke dosis zelfspot in haar stem. En of ze kleurrijk waren. In het vierde jaar bezorgden ze menig door de wol geverfde collega grijze haren. Ik hield mijn hart al vast, lang voor ze bij mij in het zesde zouden belanden. Dat ik hen wel aan zou kunnen, want dat ik dat jaar in meer dan één opzicht voor twee telde, hield ik mezelf voor. Het werd een van de fijnste klassen die ik ooit onder mijn vleugels kreeg. Een hechte groep leergierige jonge mensen met karakter en een scherpe geest. Met hoeveel vuur werd er niet gediscussieerd over actuele en sociale topics. Daaraan gekoppelde samenvattingen en essaytjes werden geaccepteerd als een logische volgende stap, al vormde de deadline steevast voer voor een uitgebreide oefening in democratisch overleg. Naar hun spreekbeurten op vrijdagnamiddag leefde ik al de hele week toe. Zij keken niet op een inspanning om er levendige informatieve optredens van te maken. Er hing één wolk boven de heerlijke uren met deze klas: het ongelukkige gezicht van Gerda. Geen onderwerp, geen opdracht, geen didactische werkvorm kon haar diepe zuchten plaats laten ruimen voor enig enthousiasme. Ik gaf het uiteindelijk op en klasseerde haar in gedachten als Miss Ontevree. “ ’t Was allemaal heel boeiend dat laatste jaar” vertrouwt de ex-miss me twee decennia later toe “maar ik werd er wanhopig van: toen de anderen nog negatief ingestelde rebellen waren, was ik de beste leerling, maar nadat zij zich bekeerd hadden tot het constructief timmeren aan een nieuwe maatschappij, kon ik hen niet bijbenen. Ik was te saai, te conservatief, te reproductief. En als ik ergens wel een uitgesproken mening over had, kon ik die toch niet zo vlot verkopen als zij. Frustrerend.” Met schaamrood op de kaken wis ik snel de gebrekkige oude beelden en registreer onbegrepen, gecamoufleerde faalangst. “Maar ik heb toen wel veel geleerd en me nooit een seconde verveeld” vervolgt Gerda, alsof ze mijn groeiend schuldgevoel welwillend wil wegwuiven. En dan, met een ondeugende blik: “Weet je welke les ik mij het levendigst herinner? Die over de Boerencharleston!” Aiai, zó sta ik zelf dus in minstens één archief opgeslagen: met een acht maanden zwangere buik demonstrerend hoe de plompe boeren in Van Ostaijens tijd zich de bolle wangen tulpenrood charlestonden ... Een vrolijk beeld, dat wel, maar bij de esthetiek van de sequentie heb ik toch zo mijn bedenkingen.
Loes Loyens |
| 'Pedagoocheltoeren', Don Bosco Vlaanderen januari-februari 2003 |